Floris Visser

foto: Allard Willemse
foto: Allard Willemse

Floris Visser is een van de succesvolste jonge operaregisseurs in Nederland. Hij is onlangs aangesteld als artistiek directeur van Opera Trionfo, nadat hij veel indruk had gemaakt met zijn enscenering van Brittens Owen Wingrave. In 2014 voert hij de regie over Mozarts Così fan tutte aan de Bolshoi Opera in Moskou. Hij is de eerste Nederlandse regisseur ooit die door dat prestigieuze operahuis is uitgenodigd. Onlangs kreeg Floris Visser de Charlotte Köhler Prijs voor Theater uitgereikt door het Prins Bernhard Cultuurfonds. In 2012 had hij de eer om te zijn aangesteld als Cultural Professor aan de TU Delft. Daar bracht hij een succesvolle productie van Bizets opera Carmen op de planken, die door pers en publiek is geprezen. Floris Visser werd als regisseur en acteur opgeleid aan de Toneelacademie Maastricht. Daarna studeerde hij klassiek zang aan het Koninklijk Conservatorium van Den Haag.

www.florisvisser.nl

 

Floris Visser over Owen Wingrave

“ ‘He will listen to the house ...’ met dit dreigement ontvangt Jane Wingrave haar neef Owen in hun voorvaderlijk huis Paramore. De Wingraves zijn een militair geslacht en sneuvelen al drie eeuwen lang voor God, koning en vaderland. In hun wereld is het ondenkbaar dat de enige erfgenaam niet in de voetsporen treedt van zijn voorvaderen. Het grote thematische onderwerp is een baanbrekende oproep van pacifisme vanuit het negentiende-eeuwse Britse imperium. Daar stond juist de pre-Socratische grondstelling dat ‘oorlog de vader van alle dingen is’ hoog in het vaandel. De novelle van Henry James biedt een blik in een typisch Britse aristocratische familie, waar tradities en een strikte scheiding der klassen je toekomst bepalen. En uiteraard bevolken ook geesten ons gotische verhaal. Eerst was er de onnatuurlijke daad van een vader die zijn kind doodsloeg en toen een jongen die zijn reeds geschreven lot trotseerde. Beide geschiedenissen kennen een even tragische afloop. De opera is een aanklacht tegen de oorlog vol van bovennatuurlijke elementen en onnatuurlijke wreedheden. Het landhuis wordt tot een slagveld en de familieleden vormen de strijdende partijen. De dramatische ironie wil dat Owen die weigert soldaat te worden uiteindelijk toch de gevallen held van Paramore is. Of zoals Henry James schreef in zijn notitieboek: ‘He must die, of course, be slain, as it were on his own battlefield ...’ 

Interview in de Volkskrant

4 juli 2013

door Persis Bekkering

 

De carrière van de pas 30-jarige operaregisseur Floris Visser ontwikkelt zich stormachtig. Als eerste Nederlander regisseert hij een opera in opdracht van het Bolsjoi-theater. Maar eerst neemt hij vandaag de Charlotte Köhlerprijs in ontvangst.

Maniakaal perfectionistisch. Alles lezen, alles weten. Hij zou maar nét dat ene detail over het hoofd zien. Dat is zijn grootste angst. 'Dat ik bij de première denk: shit, ik heb iets gemist.' Dat is onvergeeflijk. Operaregisseur Floris Visser (30) lijkt de nieuwe hype van de operawereld. Toen hij begin dit jaar Owen Wingrave, een onbekende opera van Benjamin Britten, voor Opera Trionfo maakte, vroeg het reizende operagezelschap hem direct als nieuwe directeur. Hij heeft een groeiende carrière over de grens, met als voorlopig hoogtepunt de regie van Mozarts Così fan tutte voor het Moskouse Bolsjoi Theater volgend seizoen, als eerste Nederlander en als jongste regisseur ooit. Vandaag krijgt hij de Charlotte Köhlerprijs, een aanmoedigingsprijs van 30 duizend euro van het Prins Bernard Cultuurfonds, die jaarlijks wordt toegekend aan jonge talenten in de beeldende kunst, architectuur en theatervormgeving tot 35 jaar. Naast Visser krijgt beeldend kunstenaar David Jablonowski de prijs.

Visser is niet het klassieke zondagskind bij wie het geluk komt aanwaaien. Negentien uur per dag is hij aan het werk, ook in het weekend. Het is tien uur 's ochtends als hij de deur voor de verslaggever opendoet, heeft er dan al drie werkuren opzitten. Nog geen pauze genomen voor een sigaret - hij zit middenin de vormgeving van Puccini's La Bohème voor Theater Osnabrück. Dat betekent veel overleg met de decor- en kostuumafdeling. Visser gaat daarin verder dan andere regisseurs. 'Ik bemoei me met alles', zegt hij, staand op zijn balkon voor een snelle hijs. 'Ik wil dít kraagje, díe revers.'

Uit het juryrapport van de Charlotte Köhlerprijs: 'De regiekeuzes van Visser gaan in tegen de huidige trend het oorspronkelijke stuk aan te passen aan een nieuw concept. Visser regisseert juist vanuit de ziel van het bestaande stuk.'

Visser: 'Dat ontroerde me. Voor de jury is het kennelijk iets unieks, dat ik vanuit de kracht van het stuk werk. Zelf heb ik daar nooit zo naar gekeken.'

Hij veegt een paar stapels boeken opzij om ruimte te maken aan zijn volgeladen werktafel. 'Om opera's te begrijpen, begin ik eerst bij het boek', duidt hij de stapels. 'De componist Salieri schreef wel: 'prima la musica, poi le parole.' Maar de echt grote operacomponisten werken andersom: eerst de tekst, dan de muziek.' Visser praat intens, als een prekende dominee, over zijn werk. Geen tijd voor banaliteit. Zijn woon- annex werkkamer stemt daarmee in. Krakende houten vloer, grote kerkkaarsen, Mariabeelden. 'Verdi had Don Carlo nooit geschreven als hij niet eerst Don Carlos van Friedrich Schiller in handen had gekregen. Dus lees ik dat toneelstuk eerst. Dan vallen me de keuzes op: hé, Verdi laat dat personage weg, waarom doet hij dat? Ik moet álles lezen wat Verdi ook heeft gelezen.'

Zo werkt - léést - Visser bezeten door, soms jarenlang, voor zijn totaalconcept van een opera af is. 'Als een niemandsland waarvan ik zelf niet weet waar de grenzen liggen.' Voor La Clemenza di Tito van Mozart, die hij voor de Dutch National Opera Academy regisseerde, las hij alle kronieken van Titus, Suetonius, Tacitus. 'Om uit te vinden of daar ergens iets zit, één diamantje, dat het stuk wezenlijk kan veranderen.' Het was bingo toen hij op de geschiedenis van Vitellia stuitte, de intrigante in de opera. Haar vader bleek vermoord door de vader van Titus, iets wat niet wordt uitgelegd in de opera. 'Daardoor besefte ik: dit verhaal gaat over maffia, over bloedwraak.' En zo zoekt hij verder, nu door stapels maffiafilms te kijken, ook die hij al kent.

En als hij dan het gevoel heeft grip te hebben op het stuk, begint het weglaten. Hij heeft alles bestudeerd, tot en met de kostuumtradities van een bepaalde stad in een bepaalde tijd, maar gebruikt het niet. 'Alle froufrou gooi ik er uit.' Niet te veel details, geen bewegingen op de muziek, geen naturalisme. Alleen de kern blijft over, en die verwerkt hij door het hele stuk. 'Grotesk minimalisme', noemt hij dat. Zijn regies zien er strak, soms zelfs ronduit sober uit, met vaak één opvallend decorstuk. 'Iemand beschreef het werk van de schilder Caravaggio eens als: hij pakt het moment, laat de rest weg, en vergroot dat moment uit. Zo wil ik opera ook, als een Caravaggio.'

De kern van een stuk, dat wat hem fascineert, raakt universele thema's: macht, erotiek, religie. Erotiek en religie als instrumenten van de macht. 'Macht alleen is niet interessant, dat is te abstract. Maar waarom wil iemand dat uitoefenen? Wat is er gebeurd met die persoon dat hij wreedheid betracht? Hoe Lady MacBeth zich met MacBeth gedraagt 's avonds in bed, dat is ook interessant.'

Opera heeft vaak een massale scène met koor, maar daar zit voor de minimalist niet het zwaartepunt van een stuk. 'Zo'n kroningsscène als in Boris Godunov is mooi om te zien, maar meer niet.' Visser buigt even voorover, alsof hij een geheim deelt: 'Want dat is een façade die niet klopt. Wat er achter gesloten deuren gebeurt, dat is pas fascinerend. Als blijkt dat de koning een maîtresse heeft.' Hij wijst ter verduidelijking naar een stapel boeken op de grond. Bovenop ligt De geschiedenis van de schoonheid van Umberto Eco, een kunsthistorisch boek. Daaronder het vervolg, De geschiedenis van de lelijkheid. 'Schoonheid ontroert. In opera zit de schoonheid in de muziek, daar hoef ik niets meer aan te doen. Maar wat ik nodig heb ik mijn werk is de fascinerende lelijkheid, de duisternis van de ziel. Dat is mijn materiaal, dat zet ik naast de muziek. Ik was zo blij toen Eco het vervolg schreef.'

Zo bezeten als hij nu aan opera werkt, zo zocht Visser ook naar zijn uiteindelijke bestemming als regisseur. 'Daar zijn heel veel tranen bij gevloeid', zegt hij. Hij wilde altijd acteur worden, 'in het theater wonen'. Op zijn veertiende was hij al theatertechnicus na school. In Maastricht, op de toneelacademie, merkte hij dat zijn voorkeur naar regisseren uitging. Maar na zijn afstuderen ging hij naar het Koninklijk Conservatorium in Den Haag om zang te studeren, nadat hij net vier jaar lang tachtig uur per week had gestudeerd. 'Ik miste de muziek, aan de Toneelschool. Ik was nog niet gelukkig.'

Tijdens zijn zangopleiding werd hij gevraagd om Alexander Oliver te assisteren bij de regie van Dialogues des Carmélites, een opera van Poulenc. Daarna volgde een assistentschap bij De Nederlandse Opera en eigen kleine-zaalproducties. 'Eindelijk had ik het gevoel dat ik wist waar ik moest zijn.'

De Stopera aan het Waterlooplein leek hem daarvóór altijd een bastion dat niet te beklimmen viel. Maar nu zit hij in het Bolsjoi, dat theater waarvan de balletafdeling de afgelopen maanden in het nieuws is geweest met intriges van operaformaat. De eindverantwoordelijke voor de lange termijnplanning had zijn regie van Carmen gezien, en ook Owen Wingrave maakte indruk op de intendant. En zoals dat in Rusland gaat, wond deze man er geen doekjes om. 'Op een maandagavond liepen we door de Utrechtsestraat', herinnert Visser, 'en we namen plaats op een terras voor een biertje. De intendant klapte zijn laptop open en zei: 'Well, I thought of these singers'. Ik keek hem aan en stamelde: 'Dus ik heb de klus?' 'Of course, otherwise I wouldn't be here.' Zo is het gegaan.'

Het budget is onbegrensd, vermoedt Visser. Althans, ze zouden het hem wel zeggen zodra Visser te veel geld dreigt uit te geven, 'maar ik ben bang dat ik dat nooit ga horen.' Voor Visser is dat ongemakkelijk. 'Ik wil weerstand hebben. Dat daagt me uit.'

Maar hij klaagt niet. 'Ze hebben echt fenomenale zangers en acteurs, fucking hell.'

Zijn veelgeprezen regie van Owen Wingrave, die door de Volkskrant met vier sterren werd beloond om de gelaagdheid en sobere, suggestieve regie, leverde hem nóg een baan op: Opera Trionfo, het operagezelschap waarmee hij Wingrave had gemaakt, vroeg hem als nieuwe directeur. De toenmalige directrice wilde met pensioen en zag in hem een ambitieuze jonge opvolger.

Hij had aanvankelijk twijfels. 'Met deze baan leg ik mij vast in Nederland, terwijl ik ook een opkomende carrière in het buitenland heb.' Het is dan ook geen gemakkelijke klus: Trionfo is een klein gezelschap zonder meerjarensubsidie. 'Mijn idealisme gaf de doorslag', zegt hij. 'Het voortbestaan van kunst en van opera, daar kan ik 's nachts van wakker liggen. Al staat voor mij buiten kijf dat opera overleeft. Anders had ik mijn handtekening niet onder het contract gezet.'

Hij ziet een taak voor Trionfo in talentontwikkeling en kunsteducatie, maar allereerst in de verspreiding van opera naar middelgrote theaters in de regio. Daar is operapubliek, maar geen kwalitatief goed aanbod. 'Ik geloof het niet, dat de zalen leeglopen, dat er weinig draagvlak voor opera is.' Hij ziet juist een enorme opleving van de belangstelling: 'Met Owen Wingrave zijn we heel Nederland door gereisd, overal waar we kwamen waren er veel liefhebbers van opera. Soms denken mensen dat het een moeilijk genre is. Tegen hen zeg ik: houd je van musical? Dan houd je ook van opera. We hebben zelfs boventiteling.' Lacht: 'Dat werkt altijd.'

Dit voorjaar kwam alles tegelijk op hem af, de prijs, het Bolsjoi, Trionfo. Pierre Audi, de artistiek leider van de Nederlandse Opera en een van Vissers leermeesters, stuurde meteen bloemen toen het Prins Bernard Cultuurfonds de namen bekendmaakte. Visser: 'Laatst klampte ik hem aan, bij een première, en ik vroeg hem: wat moet ik aan met deze gekte? Hoe doe jij dat?'

Dit adviseerde de wereldberoemde regisseur: 'Geweldig, al die bekroningen. Maar we gooien ze in de Amstel. En we werken door.'

Extra: Ken ik dat eten?

Toen het Moskouse Bolsjoi-theater belde om de regisseur uit te nodigen voor de Mozartopera Così fan tutte zat Floris Visser op de fiets. Het nieuws zette zijn dag op z'n kop. 'Ik besloot een wijntje te gaan drinken in een oude Amsterdamse kroeg waar niemand weet wat het Bolsjoi is.' Toen de barman vroeg hoe het met hem ging, vertelde hij het nieuws. 'Wat!?' riep de barman uit. Tegen de Jordanezen aan de bar: 'Hij is net gevraagd voor het Bolsjoi!' De Jordanezen reageerden precies zoals Visser hoopte. 'Ken ik dat eten?'